De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939
Psalmen 63
Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda vertoefde. God, wat verlang ik naar U; mijn God, naar U dorst mijn ziel, Naar U smacht mijn lichaam als een dor en droog land naar het water. Ik blik naar U op in uw heilige woning, Om uw macht en uw glorie te aanschouwen! Ja, uw genade is kostelijker nog dan het leven: Daarom moeten mijn lippen U loven, En wil ik U al mijn dagen prijzen, Mijn handen opheffen in uw Naam. Gij verzadigt mij als met vet en met merg, En mijn mond juicht U toe met jubelende lippen; Nog op mijn legerstede moet ik aan U denken, En in mijn nachtwaken over U peinzen. Want Gij zijt mijn Helper, Ik nestel in de schaduw uwer vleugelen; Mijn ziel klampt zich aan U vast, En uw rechterhand is mij een stut. Maar zij, die mijn ondergang zoeken, Zullen in de diepten der aarde verzinken; Ze vallen ten prooi aan het zwaard, En worden een buit van de jakhalzen. Doch de Koning zal zich verheugen in God, En wie Hem trouw zweert, zal juichen; Maar de mond van de leugenaars wordt gestopt!
De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939. Public domain. Source: eBible.org. Typeset from the source files; no intended changes to scripture wording. BibleKenya is not endorsed by the rights holder.
Full source notice & licence · SourceEdition imported 2026-10-25.